Begroting 2017

In deze paragraaf wordt ingegaan op de verwachte uitkomsten van het voorgenomen treasurybeleid. Het beleid is vastgelegd in de Uitvoeringsregels Treasury 2012.

Renterisicobeheer
Het Rijk heeft regels opgesteld over hoe gemeenten en provincies hun geld en kapitaal beheren. Die regels staan in de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Hoeveel geld we als gemeente mogen lenen is afhankelijk van de hoogte van de begroting. De kasgeldlimiet bepaalt hoeveel geld we mogen lenen met een looptijd van maximaal 1 jaar. De renterisiconorm heeft als doel het renterisico te beperken door een spreiding aan te brengen in de aflossingen op opgenomen leningen.

In 2017 stellen we viermaal een rentevisie op. De rentevisie is een belangrijk instrument bij beslissingen over het aantrekken van langlopende leningen. Bij een normale rentestructuur (rentepercentage langlopende leningen is hoger) is het beleid dat zoveel mogelijk tot de kasgeldlimiet met kortgeld gefinancierd wordt.

De renterisiconorm is gerelateerd aan het budgettaire risico en heeft als doel het renterisico bij herfinanciering te beheersen. De renterisiconorm houdt in, dat de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. Deze norm beperkt zich tot de eigen treasury-activiteiten. Leningen die één op één zijn of worden doorgeleend vallen erbuiten. Contractueel zijn er in 2017 geen mogelijkheden tot vervroegde aflossing.

x € 1 mln.

2016

2017

Renteherzieningen

0

0

Aflossingen

7,4

14,5

Renterisico

7,4

14,5

Begrotingstotaal

892,6

886,9

Renterisiconorm (20% van begrotingstotaal)

178,5

177,4

Ruimte onder renterisiconorm

171,1

162,9

Kasgeldlimiet (8,5% van begrotingstotaal)

75,9

75,4

Kredietrisicobeheer

Uitgezette langlopende leningen
Nagenoeg alle uitgezette leningen aan woningcorporaties zijn WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) gegarandeerd. De risico's met betrekking tot aan Stichting Kunstcluster en Cinecitta verstrekte leningen zijn voldoende afgedekt door onderpand. Het risico's van de aan Gate2BV verstrekte lening wordt in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing nader toegelicht.

Beleggingen
De belegging van de bouwfondsaandelen is gedaan bij een AA instelling (ING). De kredietwaardigheid van ING is in 2010 verlaagd naar A. Volgens de wet Fido kunnen bestaande beleggingen ondanks de verlaging van de kredietwaardigheid gehandhaafd blijven. Op dit moment is er geen aanleiding de kredietwaardigheid van ING in twijfel te trekken.

Garanties en deelnemingen
Wij voeren een zeer terughoudend beleid met betrekking tot garantieverlening. Belangrijkste uitgangspunt is dat we alleen garantie verstrekken aan instellingen die zonder deze garantie geen geldlening kunnen afsluiten. Bovendien moet sprake zijn van activiteiten en/of investeringen met een lokaal belang en mag geen andere instantie in hoofdzaak de verantwoordelijkheid dragen op het beleidsterrein waarop de aanvragende instelling werkzaam is. Dit vastgelegd in de Nota gemeentegaranties en geldleningen 2012.

Gemeentefinanciering

Financieringspositie gemeente

x € 1 mln.

2016

2017

Totaal rentelasten

2,5

1,8

Totaal rentebaten

1,0

0,8

Hieronder staan enkele kerngegevens over de opgenomen en uitgezette leningen.

x € 1 mln.

Uitgezet

Opgenomen

Stand 1 januari 2017

40,8

83,3

Stand 31 december 2017

40,3

68,8

Totaal aflossingen

0,5

14,5

Totaal uitgezet / opgenomen nieuw

-

-

Gemiddelde rente

4,49%

2,24%

Gemiddelde restant looptijd

11,18 jaar

5,57 jaar

Laagste rente

0,00%

0,26%

Hoogste rente

7,2%

5,40%

Schatkistbankieren
Per 16 december 2013 is de wet verplicht schatkistbankieren ingevoerd. Verplicht schatkistbankieren houdt in dat overschotten aan liquide middelen boven een drempelbedrag moeten worden afgestort in de schatkist bij het ministerie van Financiën. Het drempelbedrag is een percentage van het begrotingstotaal en bedraagt voor 2017 € 4,5 miljoen.

Beleggingen
Momenteel is er slechts één echte belegging. In 2000 is de opbrengst uit de verkoop Bouwfondsaandelen belegd in twee producten: vastrentende waarden en een garantieproduct. De jaarlijkse opbrengst uit het vastrentende deel ligt vast ( € 1,508 miljoen). Voor het deel dat belegd is in het garantieproduct van de ING is op de totaal ingelegde som een hoofdsomgarantie afgegeven (Fido-proof). Hiervan is een deel gestort in het ING Duurzaam Rendementsfonds als belegging (71.566 aandelen met aankoopkoers € 23,25). De waarde van dit deel fluctueert per dag. Het andere deel kent een jaarlijkse opbrengst van € 0,227 miljoen.
De hoofdsom van de totale belegging is aan het einde van de looptijd gegarandeerd. De looptijd heeft een einddatum van 4-1-2021. Tussentijdse verkoop is niet mogelijk gelet op de vereiste cashflows om de begroting sluitend te houden.

Emu-saldo en wet HOF
Om strakker te kunnen sturen op de afspraken die het Rijk heeft gemaakt in Europees verband is de Wet Houdbare OverheidsFinanciën (wet HOF) ingevoerd. De wet is bedoeld voor de beheersing van de schuldenlast en het begrotingstotaal op rijksniveau.
Het collectieve aandeel van de decentrale overheden voor het EMU-saldo is voor het jaar 2017 vastgesteld op -0,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Deze norm is in lijn met het Financieel akkoord 2013-2017 dat eerder gesloten is tussen het kabinet en de decentrale overheden. Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo wordt ook in 2017 niet uitgesplitst naar gemeenten, provincies en waterschappen.

Wij hebben een sluitende (meerjaren)begroting maar de manier waarop het Rijk het EMU-saldo berekent, betekent dat wij een negatief EMU-saldo hebben. De belangrijkste oorzaak is dat het Rijk investeringen aan één jaar toerekent (kasstelsel) terwijl andere overheden en het bedrijfsleven dergelijke uitgaven via afschrijvingen over meerdere jaren uitsmeren (stelsel van baten en lasten).

Sturingsopties om het EMU-saldo in positieve zin te beïnvloeden zijn het afstoten van activa en passiva die niet tot de ‘core business’ van een gemeente horen. Als vervolg daarop kan het noodzakelijk zijn keuzes te maken en ambities te beperken als het gaat om het investeringsprogramma. Voor vastgoedobjecten kan daarbij huur of lease een optie zijn.

Te verstrekken geldleningen
Artikel 189 van de Gemeentewet bepaalt dat ten laste van de gemeente slechts uitgaven kunnen worden gedaan tot de bedragen die daarvoor in de begroting zijn opgenomen. Het gaat hier om het zogenaamde budgetrecht van de gemeenteraad. Wanneer het college zich niet aan deze wettelijke randvoorwaarde houdt, kan de raad het college ter verantwoording roepen.

In artikel 160, lid 1 sub e, van de Gemeentewet staat dat het college bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Het verstrekken van geldleningen is zo’n privaatrechtelijke rechtshandeling. Het college is dus het bevoegde orgaan om te besluiten tot het verstrekken van geldleningen.

Om recht te doen aan het budgetrecht van uw Raad nemen wij in deze paragraaf een algemene post op voor te verstrekken geldleningen. Gelet op de ervaringen in de afgelopen periode en het terughoudende beleid inzake het verstrekken van geldleningen volstaan we met een bedrag van € 300.000,-. Daarbij gaan we er van uit dat de kapitaallasten / -baten budgettair neutraal zijn.

Met het beleidskader en de vaststelling van de financiële positie en de financieringsparagraaf in de programmabegroting heeft de Raad voldoende inzicht en invloed op het verstrekken van geldleningen door de gemeente. Het college moet binnen die kaders handelen.
Overigens is de gemeente bij het verstrekken van geldleningen ook gebonden aan de Wet Financiering decentrale overheden (Wet Fido), die onder meer als eis stelt dat sprake moet zijn van een publieke taak. Dit laatste is een bevoegdheid van de raad.